Te hoop

Wij zijn te hoop gegooid,
wij liggen bleek en bloot
en onmiskenbaar dood
langs smalle, stille wegen.

Van wortels afgesneden;
het loof dat leven was
en stem van wind en regen
is op de akkers stom gebleven.

Wij zijn gerooid en afgelegd,
en nagekeken op gebreken.
De grond die onze moeder was
is dood gewicht gebleken.

Wij liggen op een bietenvaalt,
nog wel bijeen, maar zonder hoop,
wij wachten op de dichte wagens;
met dichte wagens worden wij gehaald.

 

Atze van Wieren
Uit:
Suiker poëzie